Verandering en vooruitgang

Automatisering in de apotheek

Verandering en vooruitgang

Verdiepen
Welke werkzaamheden van de apotheker veranderden door de komst van de computer? Leestijd 11-13 minuten
icon

Piet de Meijer, in de jaren 1987-1993 hoofd informatisering bij de beroeps- en brancheorganisatie voor apothekers KNMP, bij de IBM-computers die gebruikt werden om de KNMP-geneesmiddelendatabank te ontwikkelen. Foto overgenomen uit: OPG FarmaNet Special, 1988, p. 4.

Als je zestig, zeventig jaar geleden ziek werd, kon je een arts raadplegen, die indien nodig een recept voor een geneesmiddel voorschreef. Dat recept bracht je naar de apotheker, die het geneesmiddel volgens het door de arts vermelde recept voor je bereidde. Uitzondering hierop waren patiënten die in een gebied woonden waar geen apotheker was gevestigd. Hier werden geneesmiddelen klaargemaakt en afgeleverd door een apotheekhoudend huisarts. Op sommige plekken in Nederland is de geneesmiddelverstrekking nog steeds op deze manier georganiseerd. Slechts in enkele gevallen verstrekte de apotheker een verpakt geneesmiddel van een fabrikant. Anders dan tegenwoordig was medicijnverstrekking dus vooral maatwerk: poeders, zalven, zetpillen, dranken, pillen en later ook capsules en oogdruppels werden voornamelijk op aanvraag bereid in de apotheek.

In het midden van de vorige eeuw werden de meeste geneesmiddelen in de apotheek bereid

Het bereiden van een geneesmiddel door de apotheker of zijn assistent duurde gemiddeld een half uur, maar drukte in de apotheek kon de bereidingstijd sterk beïnvloeden. Daarom gaf de apotheker vaak een tijdstip aan waarop het geneesmiddel klaar zou liggen. De kosten voor het geneesmiddel en manier van verrekenen verschilde per patiënt: geneesmiddelen voor particuliere patiënten kwamen voor eigen rekening, geneesmiddelen voor ziekenfondspatiënten werden door de apotheker gedeclareerd bij het ziekenfonds waar de patiënt bij aangesloten was. Tegenwoordig is dat op eenzelfde manier georganiseerd met de zorgverzekeraars. Op 1 januari 2006 ging de Zorgverzekeringswet van kracht. De wet stelt een ziektekostenverzekering verplicht voor alle Nederlandse ingezetenen en mensen die in het buitenland wonen maar uit Nederland inkomsten uit arbeid ontvangen. Met het ingaan van deze wet vervielen de ziekenfondsen.

Prijsopgaven van geneesmiddelen voor 1987. Per geneesmiddel zocht de apotheker de prijs op in een prijslijst die hoorde bij het type patiënt. Deze prijslijsten werden taxen genoemd. In de groene map stonden de prijzen voor ziekenfondspatiënten, in de grijze Taxe I de prijzen van grondstoffen voor eigenbereidingen en niet-merk geneesmiddelen voor particulieren. In de rode Taxe II stonden de prijzen van spécialités voor particulieren. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummers. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0.

Voorbeelden van prijsopgaven uit de particuliere taxe van 1987. Boven de prijzen voor eigenbereidingen waaronder verschillende doseringen aspirine als eigenbereiding (acetosal) op basis van de hoeveelheid tabletten; onder de prijsopgaven voor grondstoffen, waaronder sesamolie (sesami oleum), zoethoutstroop (sirupus liquiritiae) en tijmsiroop (sirupus thymi). Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummer. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0.

Of een patiënt was aangesloten bij een ziekenfonds was afhankelijk van het inkomen van de patiënt: onder een bepaalde inkomensgrens was deze collectieve verzekering verplicht. In de praktijk betekende dit dat ongeveer 70% van de bevolking bij een ziekenfonds was aangesloten. Voor deze patiënten moest de apotheker alle kosten voorschieten. Om de apotheker tegemoet te komen in deze kosten, keerden de ziekenfondsen voorschotten uit op de declaraties. Dit gebeurde op basis van een schatting. Apothekers hadden deze voorschotten hard nodig, want het duurde een jaar voordat de apotheker de definitieve afrekening van de geneesmiddelen voor ziekenfondspatiënten ontving.

De apotheker moest voor 70% van de patiënten de kosten voor geneesmiddelen voorschieten

Nadat een medicijn was afgehaald, ging het recept ‘op de prik’. Aan het einde van de dag werden de recepten van de prik gehaald en gesorteerd op ziekenfonds- en particuliere patiënten. De recepten voor ziekenfondspatiënten werden daarna bewaard in speciale dozen, gesorteerd op naam van de arts die het middel had voorgeschreven. Recepten voor particulieren werden op patiëntnaam gesorteerd en in speciaal daarvoor bedoelde ordners opgeslagen. Alle recepten werden op last van de Inspectie Gezondheidszorg vervolgens tien jaar lang bewaard in de apotheek.

Een ‘prik’ of receptenprikker, waarop afgehandelde recepten bewaard werden. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummer. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0.

Ziekenfonds- en particuliere patiënten kregen een verschillend etiket op hun geneesmiddel: particulieren een etiket met een gouden rand, ziekenfondspatiënten zonder. Bovendien waren de geneesmiddeldoosjes voor particuliere patiënten van betere kwaliteit dan voor ziekenfondspatiënten. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummers. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0.

De opkomst van het verpakte geneesmiddel

Begin jaren zeventig maakten de geneesmiddelen die in de apotheek werden bereid meer en meer plaats voor verpakte geneesmiddelen. Deze zogenoemde spécialités werden ontwikkeld en geproduceerd door de farmaceutische industrie en hadden vaak een sterkere werking en waren doelmatiger dan eigenbereidingen, de medicijnen die de apotheker zelf bereidde. De farmaceutische industrie beschikte immers over het kapitaal om het kostbare ontwikkel- en testtraject van een geneesmiddel te dragen. Een individuele apotheker niet. Na registratie van een geneesmiddel gold het patent meestal nog tien tot twaalf jaar. Namaken in de eigen apotheek was in principe niet toegestaan.

Vanaf het begin van de jaren zeventig nam het aantal geneesmiddelen dat in de apotheek werd bereid sterk af

In diezelfde periode werden ook generieke medicijnen Een generiek medicijn is een soort ‘kopie’ van een merkmedicijn. De stof die ervoor zorgt dat een medicijn werkt, heet de werkzame stof. In het generieke medicijn zit dezelfde werkzame stof, in dezelfde sterkte. Een generiek medicijn werkt dus hetzelfde als het oorspronkelijk op de markt gebracht merkgeneesmiddel. als hoestdranken, zalven, zetpillen, dropdrank en tijmsiroop steeds vaker geleverd door de groothandel, zoals de Onderlinge Pharmaceutische Groothandel (OPG). OPG is nu onderdeel van BENU. Eerder bereidde de apotheker ook deze geneesmiddelen nog zelf. Dat gebeurde in grote hoeveelheden tegelijk. De apotheker kon dan per patiënt de benodigde hoeveelheid uit voorraad afgeven. Nu ook de voorraadreceptuur steeds meer door de groothandel werd aangeleverd, nam het aantal eigenbereidingen nog verder af. Maatwerk werd uitzondering, bijvoorbeeld in geval van minder vaak voorkomende geneesmiddelen of afwijkende doseringen. Dit gold met name voor drankjes en zalfjes.

Een apothekersassistente bereidt een zalf in de Transvaal Apotheek in Den Haag, 1977. Foto: privébezit. Fotograaf: (onbekend).

Kast met spécialités, begin jaren tachtig. Foto: Nationaal Archief. Fotograaf: (onbekend). © Spaarnestad Photo. Bewerkt.

De verschuiving van eigenbereidingen naar verpakte geneesmiddelen had grote gevolgen voor de financiën van de apotheker. Nu er steeds meer van deze spécialités verkocht werden, gingen de declaraties voor deze middelen flink omhoog. Niet alleen omdat de aantallen toenamen, maar ook omdat spécialités veel duurder waren dan eigenbereidingen: de investeringen die de farmaceutische industrie moest doen voor het ontwikkelen en testen van spécialités maakte dat deze middelen niet alleen een sterkere werking hadden, ze waren ook aanzienlijk duurder dan de middelen die de apotheker zelf bereidde.

Door de toenemende verkoop van spécialités veranderde de financiële situatie van de apotheker ingrijpend

Bovendien was er voor spécialités in de apotheek geen laboratoriumonderzoek nodig, waardoor de apotheker minder loonkosten kon rekenen. De inkomsten van de apotheker verschoven dus meer en meer en voor de apotheker groeide de noodzaak om snel te weten hoe het er financieel voor stond. De ziekenfondsreceptuur bedroeg in die tijd zoals gezegd gemiddeld 70% van de omzet. Waren de voorschotten op de declaraties die het ziekenfonds uitgaf voldoende geweest om de gemaakte kosten te dekken?

Voorbeeldrecept voor drie spécialités, 1976. Foto: privébezit. Fotograaf: J. Winters. Bewerkt. De prijs voor een spécialité was opgebouwd uit de inkoopprijs plus het aantal afleveringen. Een aflevering was bijvoorbeeld 30 tabletten, 50 gram zalf, 6 zetpillen of 300 milliliter vloeistof.

De apotheker had hier maar weinig inzicht in. Vanaf eind jaren vijftig zond elke apotheek elke maand alle recepten van haar ziekenfondspatiënten naar het Recepten Uitreken en Controle Bureau (RUCB). Het RUCB was een samenwerkingsverband tussen de lokale apothekers en het regionale ziekenfonds(en) met vestigingen op verschillende plekken in het land. Hier werden alle recepten handmatig uitgerekend en gecodeerd op basis van de ziekenfondstaxe en ingevoerd via ponskaarten. Daarna werd alles verwerkt door het Computer Centrum Nederland (CCN) in Heerlen.

Een apotheker wist pas na een jaar in hoeverre de voorschotten van de ziekenfondsen dekkend waren

Door deze verschillende tussenpersonen duurde het traject van het berekenen van de kosten tot de daadwerkelijke afrekening ongeveer een jaar. Voor de apotheker was het dus pas na een jaar duidelijk wat de omzet van een maand aan ziekenfondsreceptuur was geweest en of het voorschot voldoende was geweest. Als het voorschot niet dekkend was, kreeg de apotheker weliswaar ook het resterende bedrag uitgekeerd, maar door deze werkwijze was het lang onduidelijk hoe de apotheek er financieel precies voor stond. Dat was zeker voor startende apotheken een onhoudbare situatie.

Computerzaal van het Computer Centrum Nederland (CCN) in Heerlen, 1969. Foto: Historisch Centrum Limburg. Fotograaf: (onbekend).

Maar er ontstond nog een tweede probleem. De toename van het aantal verpakte geneesmiddelen maakte de medicatiebewaking complexer en tijdrovender. Dit gebeurde namelijk nog handmatig. Na aanname van het recept werd het dossier van de patiënt in een kaartenbak in de apotheek opgezocht en ging de assistente over tot het klaarmaken van het recept. Daarna controleerde de apotheker aan de hand van de medicatiegeschiedenis in het dossier of de patiënt het voorgeschreven en klaargemaakte geneesmiddel veilig kon gebruiken. Als er geen problemen leken te zijn, werd de medicatie afgegeven. Anders werd de voorschrijvend arts gebeld voor overleg.

De toenemende verkoop van spécialités maakte de medicatiebewaking complexer en tijdrovender

Door de toename van het gebruik van verpakte geneesmiddelen werd het belang van medicatiebewaking groter. Niet alleen omdat de spécialités vaak een sterkere werking hadden dan de middelen die in de apotheek zelf bereid werden, maar ook omdat er steeds meer verschillende middelen in omloop kwamen. Sommige patiënten bleken overgevoelig voor bepaalde geneesmiddelen. Het controleren van de veiligheid van deze geneesmiddelen en van combinaties van meerdere geneesmiddelen vroeg daardoor in toenemende mate de aandacht van de apotheker.

Handmatige medicatiebewaking, eind jaren zeventig: een apotheker controleert aan de hand van het dossier van de patiënt of deze het geneesmiddel dat staat voorgeschreven op het recept veilig kan gebruiken. Foto: privébezit. Fotograaf: J. Winters.

De computer als oplossing

Begin jaren zeventig stond het apothekersvak dus voor twee grote uitdagingen: het versnellen van de afrekening van de ziekenfondsdeclaraties om de veranderende financiële situatie het hoofd te bieden en overzicht brengen in de steeds complexer wordende medicatiebewaking. Verscheidene pioniers zagen in deze periode in dat de computer in beide gevallen uitkomst kon bieden. Maar er was een belangrijke randvoorwaarde: er moest een digitaal bestand komen dat niet alleen geneesmiddelprijzen maar ook inhoudelijke informatie over geneesmiddelen bevatte. Daarom moest de overgang van informatie in boeken naar een digitaal systeem worden gemaakt: de digitalisering van geneesmiddelinformatie.

Verscheidene pioniers zagen in dat de computer kon worden ingezet om de verschillende uitdagingen het hoofd te bieden

Een eerste poging tot een dergelijk bestand met geneesmiddelinformatie werd in 1972 in Nijmegen ontwikkeld door Erik Dammers en de ziekenhuisapotheek van het Radboud Universitair Medisch Centrum. Dit zogenoemde Farmodex-bestand kon echter alleen in ziekenhuisapotheken gebruikt worden. Voor de openbare apotheek was er nog geen systeem. Verschillende automatiseringsbedrijven sprongen in dit gat en begonnen aan de ontwikkeling van een eigen Apotheek Informatie Systeem (AIS). Later zag ook de farmaceutische industrie markt in het leveren van automatiseringsdiensten en begon bijvoorbeeld Centrafarm samen met de Vrije Universiteit en hardwareleverancier Multihouse aan de ontwikkeling van een eigen AIS.

Reclamemateriaal van verschillende bedrijven die automatiseringsdiensten voor de apotheek aanboden, begin jaren tachtig. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummers. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0.

Ook binnen het RUCB werd initiatief genomen om de declaraties bij het ziekenfonds te vereenvoudigen. Bestuurslid Geert van der Wijst werkte samen met automatiseringsbureau Datapartners aan Pharucom, een systeem dat het RUCB intern moest helpen om regionaal te automatiseren. Dit systeem maakte gebruik van een artikelenbestand met geneesmiddelprijzen, gebaseerd op de gedrukte ziekenfondstaxe. Niet veel later werd Pharucom de basis voor Pharmacom, een Apotheek Informatie Systeem dat in de openbare apotheek gebruikt kon worden.

Een Apotheek Informatie Systeem stelde een apotheker in staat zelf zijn declaraties digitaal in te leveren bij de ziekenfondsen

Door deze verschillende initiatieven kon een apotheker nu met behulp van een computer zelf zijn declaraties digitaal inleveren bij de ziekenfondsen. Dat kon door de declaraties op grote harde schijven of tapes te zetten en af te geven bij het ziekenfonds. Aanvankelijk was niet elk ziekenfonds hier even blij mee: op deze manier werd het RUCB gepasseerd en dat zou banen kosten. Toch werkten uiteindelijk alle ziekenfondsen snel mee.

Hardplastic behuizing met vier computerschijven waarop de declaraties aan het ziekenfonds werden aangeboden, ca. 1980. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummer. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0. Deze computerschijven werden gebruikt in Apotheek Brusse in Den Haag, die gebruikt maakte van Pharmacom, het AIS van PharmaPartners.

Personeel van een Regionaal Computercentrum Ziekenfondsen, 1987. De grootte van de behuizingen met computerschijven met declaraties is duidelijk te zien. Foto: Nationaal Archief. Fotograaf: R. Bogaerts. CC0 1.0.

Nu de geneesmiddelinformatie van die grote hoeveelheid verpakte geneesmiddelen digitaal beschikbaar was gekomen, had de apotheker de belangrijkste informatie over een bepaald middel gemakkelijk bij de hand. Dat stelde hem in staat snel te controleren of de dosering juist was, of het middel interacties Bij gecombineerd gebruik van twee of meer geneesmiddelen kan een uitwerking optreden die verschilt van de verwachte uitwerking bij afzonderlijke toediening van deze geneesmiddelen. Bepaalde combinaties van geneesmiddelen kunnen dus schadelijke gevolgen hebben. of contra-indicaties De indicatie is de aandoening(en) waarvoor het medicijn kan worden voorgeschreven, bijvoorbeeld een antidepressivum bij een depressie. De contra-indicatie is de aandoening of omstandigheid die pleit tegen het voorschrijven van een bepaald medicijn, bijvoorbeeld overgevoeligheid voor een bepaalde stof die voorkomt in een medicijn. had en of het middel gebruikt mocht worden bij een aandoening als astma of een conditie als zwangerschap. Een patiënt moest uiteraard wel open en eerlijk aangeven of hij allergisch was en wat voor aandoeningen hij had. Maar ook deze gegevens waren nu in de computer te vinden en daardoor eenvoudiger bij de hand.

Een Apotheek Informatie Systeem stelde de apotheker in staat goede medicatiebewaking uit te voeren

Er kwam met de medicatiebewaking met behulp van de computer een enorme hoeveelheid signalen vrij. Uit onderzoek in 2003 bleek dat een willekeurige apotheek op een willekeurige dag 422 recepten verwerkte. Bij honderddertig hiervan gaf het systeem een (elektronische) waarschuwing. Er werden vervolgens 104 interventies gedaan en in veertig gevallen werd het oorspronkelijke recept na overleg met de voorschrijver gewijzigd (R.M. Ulmann, ‘Jan van Tienen verlaat het vak’, Pharmaceutisch Weekblad 138.2 (2003), p. 50-51). Dit bracht een nieuwe uitdaging met zich mee: apothekersassistenten waren nog maar nauwelijks gewend aan het omgaan met dit soort vraagstukken. Het leren oplossen van deze problemen betekende een ingrijpende verandering in de taken van het personeel. Maar om een voor de patiënt zinvolle vorm van medicatiebegeleiding te bewerkstelligen was een breed draagvlak binnen het team nodig. Het was de verantwoordelijkheid van de apotheker om dit goed aan te sturen.

Medicatiebewaking in de praktijk, begin jaren tachtig. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummers. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0. Met behulp van de interactietabel links kon een apotheker handmatig opzoeken welke geneesmiddelen niet met elkaar tegelijk gebruikt konden worden. Deze tabel diende later als basis voor de tabel in de computer rechts. Voor deze digitale tabellen werden alle geneesmiddelen handmatig gecodeerd en werd eveneens handmatig de ernst van een interactie aangegeven.

Nu de gegevens van geneesmiddelen digitaal beschikbaar waren, werd ook het bestellen bij de groothandel en het beheren van de voorraad in de apotheek eenvoudiger. De toename van het gebruik van verpakte geneesmiddelen had ervoor gezorgd dat het aantal artikelen dat door de apotheek op voorraad moest worden gehouden aanzienlijk in aantal was toegenomen. De aantallen die op voorraad waren, werden met de hand bijgehouden. Bestellingen bij de groothandel werden eerst telefonisch doorgegeven, later werd er gebruikt gemaakt van ponskaartjes. Op deze zogenaamde minikaartjes stond per artikel vermeld wat de minimumvoorraad was, en hoeveel er per keer besteld moest worden.

Een Apotheek Informatie Systeem ondersteunde ook het beheer van de voorraad geneesmiddelen in de apotheek

De diverse groothandels ontwikkelden eerst afzonderlijke bestelsystemen die het systeem van de minikaartjes deels vervingen. Deze bestelsystemen stonden aanvankelijk los van het systeem dat voor declareren en medicatiebewaking werd gebruikt, maar in een later stadium werden beide geïntegreerd. Doordat de actuele voorraad aan geneesmiddelen nu in de computer bijgehouden konden worden, ontstond ook de mogelijkheid om de vervaldata van de geneesmiddel eenvoudig bij te houden. Hierdoor kon de veiligheid van het geneesmiddelgebruik verder gewaarborgd worden.

Een apothekersassistente geeft vanuit de Transvaal Apotheek in Den Haag telefonisch een bestelling door aan de groothandel, 1977. Foto: privébezit. Fotograaf: (onbekend). Bewerkt.

Minikaartjes om xylocaine-injecties en ubretid-tabletten te bestellen bij de groothandel, eind jaren zeventig. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummers. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0. Deze kaartjes stonden in de kast in een houdertje voor het vakje met het geneesmiddel. Er stond op vermeld wat de minimum voorraad was en hoeveel er per keer besteld moest worden. Door middel van een kaartlezer werd de bestelling telefonisch aan de groothandel doorgegeven.

De KNMP-geneesmiddelendatabank

Begin jaren tachtig waren er losstaande initiatieven tot het automatiseren van een aantal processen binnen de apotheek. In apotheken werden verschillende systemen gebruikt en daardoor van elkaar afwijkende adviezen gegeven over dezelfde geneesmiddelen. Spreken in meerdere talen als het gaat om dezelfde middelen leidt tot verwarring bij arts en patiënt en extra werk voor de apotheker. De KNMP, de branchevereniging voor apothekers, ontwikkelde daarom vanaf 1985 de KNMP-geneesmiddelendatabank, die de standaard voor alle verschillende systemen werd. Nadat de bestanden van alle leveranciers van automatiseringssoftware aan de KNMP-geneesmiddelendatabank waren gekoppeld, konden via tapes en later diskettes updates voortaan automatisch worden uitgevoerd.

De G-standaard levert sinds 1985 geneesmiddelinformatie aan bijna alle verschillende Apotheek Informatie Systemen

De KNMP-geneesmiddelendatabank was erop gericht medicatiebewaking in de apotheek verder te faciliteren. De werkgroep die de databank ontwikkelde had onder voorzitterschap van ziekenhuisapotheker dr. Ary van der Kuy (1929-2014) een unieke bestandsstructuur uitgewerkt om dit te doen. De KNMP-geneesmiddelendatabank bevatte gegevens over onder meer de stofnaam en de dosering, de tabletsterkte ongeacht de verpakkingsgrootte, onafhankelijk van het label waaronder het verkocht werd. Deze manier om de gegevens te structureren bleek een vondst en heeft wereldwijd waardering opgeleverd. Afgezien van PharmaPartners maken anno 2020 alle informatiesystemen voor apotheek huisarts nog steeds integraal gebruik van deze databank, die tegenwoordig de G-standaard heet.

Links: Werkgroep van de KNMP-geneesmiddelendatabank, 1985. Foto overgenomen uit: B. Sinterniklaas, ‘De G-Standaard staat als een huis sinds 1985’, Pharmaceutisch Weekblad 152.10 (2017), p. 50. Uiterst rechts Joep Winters, destijds lid van het hoofdbestuur van de KNMP. In zijn hand houdt hij de tape met daarop de databank. Links van hem KNMP-medewerker Peter de Smet, die de bestandsstructuur van de KNMP-geneesmiddelendatabank bedacht.

Rechts: Tape met daarop de KNMP-geneesmiddelendatabank. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummer. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0. Dit soort tapes werden ook gebruikt om declaraties aan te bieden aan het ziekenfondsen.

Een operator zet data van de KNMP-geneesmiddelendatabank op een tape, 1987. Foto overgenomen uit: KNMP-Geneesmiddelen Databank (Den Haag: KNMP, 1987), p. 6.

Diskette met data uit de KNMP-geneesmiddelendatabank, 1987. Stichting Farmaceutisch Erfgoed, geen objectnummers. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0. Op dit soort diskettes werden de updates verstuurd naar apothekers in het hele land.

Zowel de overname van de productietaak door de farmaceutische industrie als de komst van de computer in de apotheek hadden langdurige en vérstrekkende gevolgen. De farmaceutische zorgverlening binnen ons zorgstelsel kreeg een andere invulling en daarmee het beroep van apotheker. Bestond het takenpakket van de apotheker in het midden vorige van de eeuw nog uit de bereiding van geneesmiddelen en de verstrekking van deze geneesmiddelen aan patiënten, tegenwoordig is de apotheker, naast distribiteur van geneesmiddelen, meer en meer een zorgverlener.

Door de komst van de computer ontwikkelde de apotheker zich tot essentiële speler in de eerstelijnszorg

De toegenomen noodzaak om medicatieveiligheid en medicatiebewaking goed in het oog te houden maakte de apotheker bewust van de noodzaak van een goede uitwisseling van gegevens: communicatie met andere zorgverleners werd essentieel voor het goed uitvoeren van de taak van apotheker. Als pioniers in automatisering binnen de gezondheidszorg zetten apothekers de computer daarom ook al snel in om de communicatie met andere zorgverleners te verbeteren. Zo ontwikkelde de apotheker zich tot essentiële speler in de eerstelijnszorg.