Een vak apart

Pillendraaiers en potjeslatijn

Een vak apart

Verdiepen
Leestijd 9-11 minuten
icon

Wapenbord met de namen en wapens van de dekens en busmeesters van het apothekersgilde van Utrecht in periode 1669-1724 (detail). Utrecht, Centraal Museum, inv.nr. 689. Reproductie: Centraal Museum. © Centraal Museum.

Vandaag de dag is de titel ‘apotheker’ beschermd door de wet: alleen iemand die met succes een universitaire opleiding farmacie heeft afgerond en met goed gevolg het apothekersexamen heeft afgelegd mag zich ‘apotheker’ noemen. Zo wil de Rijksoverheid patiënten beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen van zorgverleners en garanderen dat de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland hoog is en blijft. Om diezelfde reden vallen apothekers, net als artsen, onder het medisch tuchtrecht. Bij deze vorm van rechtspraak beoordelen juristen en beroepsgenoten of een apotheker volgens de voor hem geldende professionele standaard heeft gewerkt.

In de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd leerde je het vak van apotheker in de praktijk

Vroeger was zowel de opleiding tot apotheker als de controle op de uitoefening van het beroep anders ingericht: in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd leerde je het vak in de eerste plaats in de praktijk, op de werkvloer van de apotheek. Het beroep was een ambacht, dat een leerling-gezel leerde van een meester. De kwaliteit van de beoefenaars van het ambacht werd bewaakt door het gilde. Deze beroepsorganisaties waren in hun stad onder meer verantwoordelijk voor de examinering van apothekersleerlingen, bepaalden welk apothekershandboek kracht van wet had en controleerden apothekers op de kwaliteit van de producten in hun voorraad.

De inspecteurs van het Collegium Medicum van Amsterdam, 1724. Cornelis Troost, De inspecteurs van het Collegium Medicum. Olieverf op doek, 1724. Amsterdam, Museum Amsterdam, obj.nr. SA 7411. Reproductie: Museum Amsterdam. CC0 1.0. Deze commissie van artsen en apothekers controleerde de Amsterdamse apothekers en waren belast met de herziene uitgave van de Amsterdamse farmacopee, die in 1726 verscheen. De tweede persoon van links is Jeronimo de Bosch sr. (1677-1767), apotheker en kunstverzamelaar en eigenaar van het schilderij. Hij was de vader van Hendrik de Bosch (1720-1772), wiens simplicia gefotografeerd werden voor deze tentoonstelling.

Eind zestiende eeuw constateerde de Delftse arts Pieter van Foreest al dat kwaliteitsbewaking binnen de geneesmiddelbereiding nodig was. Hij schreef verontwaardigd dat apothekers “zotte, ongeschikte recepten” bereidden, terwijl ze die vaak niet konden lezen. “Nochtans gaan zij daar mee door, hoewel hun eigen geweten betuigt, dat die geen oliekoek waard zijn.” Alkmaar, Regionaal Archief Alkmaar, 0685 Inventaris van het archief van de familie Van Foreest, 1422-1979, inv.nr. 33. In dit handschrift uit ca. 1596, getiteld Van der empiriken, lantloeperen ende valscher medicijns bedrog, gestelt in seven boeken, schreef Pieter van Foreest: “Welcke sotte ongeschickte recepten onse aptekers mede maecken, die sij dickmaels niet lesen en connen, nochtans ghanen sij daer mede duer, hoe wel haer eygen conscientie betuycht, dat die selfde geen olycoeck waerdich en sijn.” Geciteerd in H.A. Bosman-Jelgersma, Vijf eeuwen Delftse apothekers: een bronnenstudie over de geschiedenis van de farmacie in een Hollandse stad (Amsterdam: Ronald Meesters 1979), p. 53. De ontwikkelingen die het apothekersberoep in de zeventiende en achttiende eeuw doormaakte waren daarom voor een belangrijk deel gericht op de verbetering van de kwaliteitscontrole. Het initiatief daarvoor kon vanuit de beroepsgroep zelf komen, maar ook vanuit een stadsbestuur, of artsen belast met de examinering en controle van apothekers.

Apothekers waren in veel steden verenigd in gilden, soms met verwante beroepsgroepen

Apothekers waren meestal onderdeel van het St. Nicolaasgilde, Tot dit gilde behoorden ook kooplieden, kramers, kruideniers en drogisten. het St. Lucasgilde In dit gilde waren beoefenaars van de ‘zeven vrije kunsten’ verenigd, zoals schilders, tapijtwevers, boekdrukkers en soms medici. of het Cosmas en Damianusgilde. Tot dit gilde behoorden ook artsen en chirurgijns. Pas vanaf het eind van de zestiende eeuw vormden apothekers, als er genoeg vakbroeders waren, hun eigen gilden. Dit was onder meer het geval in Dordrecht, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Leiden. In andere gevallen bleven apothekers nog lang samen verenigd met verwante beroepen, zoals in Middelburg, waar verschillende verkopers van ‘drogerijen’ tot één gilde behoorden: kruideniers, apothekers, drogisten, tabaksverkopers en suikerbakkers. Een suikerbakker was een soort banketbakker die suikergoed maakte.

Voor- en keerzijde van een presentiepenning van het kramersgilde van Goes uit 1625 (boven) en een presentiepenning van het kruideniers- en apothekersgilde in Middelburg uit 1700 (onder). Boven:
Leiden, Rijksmuseum Boerhaave, inv.nr. V06061. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0.

Onder:
Leiden, Rijksmuseum Boerhaave, inv.nr. V06040. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0.
Op beide penningen staat een balans en een vijzel met twee stampers afgebeeld. Op de keerzijde van beide penningen staat onder meer een uniek nummer, dat aan elk lid van het gilde bij het behalen van zijn examen werd toegekend. Daarbij werd ook deze presentiepenning uitgereikt. Deze penningen werden onder meer gebruikt om de aanwezigheid tijdens een gildebijeenkomst te kunnen controleren.

Opleiding en examinering

Wat voor de organisatie van apothekers gold, gold ook voor hun opleiding: de regels verschilden per stad. Een aantal zaken werd in de meeste steden wel op grofweg dezelfde manier georganiseerd. Apothekers mochten één leerling tegelijk begeleiden. Er moesten vooraf afspraken worden gemaakt over onder meer de vergoeding voor de begeleiding, de behuizing van de leerling bij de apotheker, de duur van de opleiding en over de consequenties van wangedrag of voortijdige beëindiging van het contract. De leerling moest vaak een bepaalde minimumleeftijd hebben en over de benodigde taalvaardigheid beschikken, aangezien het theoretische lesmateriaal grotendeels in het Latijn was geschreven.

Apothekersleerlingen werden meestal niet geëxamineerd door apothekers, maar door artsen

Om zijn opleiding af te ronden moest een apothekersleerling in de zeventiende en achttiende eeuw een examen afleggen, dat bestond uit een theorie- en een praktijkgedeelte. Voor het theoretische gedeelte was het belangrijk dat leerlingen kennis bezaten over de in de apotheek gebruikte drogerijen, de simplicia die als grondstof dienden voor de bereiding van geneesmiddelen. Daarnaast werd getest of de examenkandidaat voldoende kennis had van het Latijn, van in de apotheek gebruikte maten, gewichten en symbolen en van de werking en dosering van geneesmiddelen en giftige stoffen.

Simpliciakast van het Rotterdamse chirurgijnsgilde, 1730. Rotterdam, Museum Rotterdam, objectnr. 40110-A. Foto: Museum Rotterdam. Fotograaf: (onbekend). CC0 1.0.

Lade uit de simpliciakast, met simplicia die een apothekersleerling moest kunnen herkennen tijdens zijn examen. Rotterdam, Museum Rotterdam, objectnr. 40110-A. Foto: Museum Rotterdam. Fotograaf: (onbekend). CC0 1.0. Bewerkt.

Om de kennis van de namen en herkenning van het uiterlijk van geneeskrachtige kruiden en andere simplicia te toetsen werd gebruik gemaakt van een simpliciakast: een grote kast met laden waarin de simplicia waren geordend. Vaak was zo’n kast eigendom van het gilde. Tijdens zijn examen kreeg een leerling bij wijze van steekproef een selectie grondstoffen uit de kast gepresenteerd die hij moest kunnen benoemen. Simpliciakasten hadden dus in de eerste plaats een praktische functie. Hoewel de bewaard gebleven exemplaren vaak eenvoudig zijn uitgevoerd, bestaan er ook kasten die duidelijk pronkstukken van het gilde waren. Er is een flink aantal simpliciaverzamelingen en -kasten bewaard gebleven. Zie R. van der Ham en A. Bierman, Van gildekast tot schoenendoos: Nederlandse simpliciaverzamelingen (Leiden: Erato 2017).

Apothekersleerlingen moesten voor hun examen simplicia kunnen herkennen en composita kunnen bereiden

Het praktische gedeelte van het examen vereiste meer vaardigheid. Dit gedeelte was erop gericht het begrip van de inhoud van recepten en kennis van de bereiding van geneesmiddelen te toetsen. Meestal moesten examenkandidaten er drie tot vijf bereiden, volgens de voorschriften van het apothekershandboek dat op dat moment ter plaatse kracht van wet had. Doordat sommige geneesmiddelen een langdurende bereiding kenden, kon dit gedeelte van het examen wel een aantal dagen duren. De bereiding van chemische preparaten ging in de achttiende eeuw steeds vaker deel uitmaken van de exameneisen, voor het eerst in Rotterdam in 1717.

Overzicht van de examenopdrachten van Amsterdamse apothekersleerlingen in 1655. Iedere kandidaat moest vijf geneesmiddelen bereiden: een siroop (syrupus), een likkepot (electuarium), pillen (pilulae), een zalf (unguentum) en een pleister (emplastrum). Amsterdam, Stadsarchief Amsterdam, 27 Archief van het Collegium Medicum, Collegium Obstetricium en Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht, inv.nr. 18, p. 24-25. Foto: Stadsarchief Amsterdam. Fotograaf: (onbekend). © Stadsarchief Amsterdam. Bewerkt. Het draaien van pillen is een mooi voorbeeld van het maatwerk dat een apotheker moest kunnen leveren: sommige patiënten hadden zachtere pillen nodig, andere hardere. De een kreeg een coating van bladzilver, de ander van bladgoud. De apotheker moest alle benodigde bereidingstechnieken beheersen.

Op 29 juli 1655 deed Goddert Croonenburch op 24-jarige leeftijd examen in Amsterdam (zie boven). Hij moest voor het praktijkgedeelte onder meer pilulae cynoglossi (pillen van hondstong) en unguentum apostolorum (apostelzalf) bereiden. Hij zal daarbij bovenstaande recepten gevolgd hebben, afkomstig uit het apothekershandboek dat op dat moment kracht van wet had in Amsterdam. Na zijn examen vestigde Goddert zich aan de Langebrugsteeg in Amsterdam. Links:
Pharmacopoea Amstelredamensis (Amsterdam: Willem en Joan Blaeu 1636), p. 79.

Rechts:
Pharmacopoea Amstelredamensis (Amsterdam: Willem en Joan Blaeu 1636), p. 97.

In de regel werd het examen voor apotheker afgenomen door artsen. Aanvankelijk behoorden deze artsen vaak tot hetzelfde gilde als de apothekers, maar vanaf de zeventiende eeuw konden ze ook behoren tot Collegia Medica. Deze artsengilden ontstonden in steden waar er voldoende vakbroeders waren. Het kwam ook wel voor dat apothekers bij het afnemen van examens werden betrokken, bijvoorbeeld daar waar een Collegium Medico-Pharmaceuticum bestond. Middelburg had in 1781 een primeur, toen een apothekersleerling uitsluitend door apothekers werd geëxamineerd.

Na zijn examen werd een apothekersleerling volwaardig lid van het gilde en kon hij zijn eigen winkel beginnen

Na hun examen konden apothekers een eigen apothekerswinkel beginnen, maar dat gebeurde niet altijd. In een aantal steden bestond een regeling voor het maximale aantal apothekers dat zich mocht vestigen. Leerlingen bleven daarom vaak ook na hun examen werkzaam voor hun leermeester of diens weduwe. Regelmatig trouwde een leerling met de dochter van een apotheker, met het vooruitzicht om te zijner tijd de apotheek over te kunnen nemen. Maar dat was niet de enige optie. Kranten uit de zeventiende en achttiende eeuw bevatten veel advertenties voor apotheken die publiek te koop werden aangeboden, vaak “wel-geconditioneert” met simplicia en instrumenten, en “goed beklant”. Zie bijvoorbeeld de advertentie voor de verkoop van een apotheek in Arnhem, in de ’s Gravenhaegse Courant, 28 november 1712.

Leerbrief van apotheker Jacobus Bijster, die in 1729 ten overstaande van het Collegium Medico-Pharmaceuticum van Delft examen deed. In het ‘diploma’ stelt het bestuur van het gilde “dat voldoende voor ons is komen vast te staan, dat genoemde Jacobus Bijster de zaak van zijn meester ernstig en nauwkeurig gedurende zijn gehele leertijd heeft behartigd en zo dan ook van zijn meester eervol ontslag heeft gekregen.” Leiden, Rijksmuseum Boerhaave, inv.nr. P01685. Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0.

De farmacopee

Een belangrijke ontwikkeling in de uniformering van het apothekersberoep per stad was de invoering van farmacopees. Deze apothekershandboeken schreven voor welke simplicia apothekers op voorraad moesten hebben, en boden een handleiding voor de bereiding van geneesmiddelen. Hoewel er al eeuwenlang handboeken voor apothekers hadden bestaan, was de publicatie van de farmacopee van Amsterdam in 1636 een sleutelmoment: dit was het eerste handboek in Nederland dat kracht van wet had voor alle apothekers in een stad. Een apotheker mocht vanaf dat moment weliswaar meerdere handboeken in huis hebben, maar de stadsfarmacopee maakte een eind aan verschillen in de bereiding van geneesmiddelen.

De stadsfarmacopee beoogde een standaardisering van de farmaceutische praktijk binnen een stad

Andere steden volgden het voorbeeld van Amsterdam, en in totaal zijn er tussen 1636 en 1795 zo’n honderd verschillende stadsfarmacopees verschenen. Een overzicht van deze farmacopees is te vinden is W.F. Daems en L.J. Vandewiele, Noord- en Zuidnederlandse Stedelijke Pharmacopeeën (Motsel-bij-Antwerpen: Drukkerij-Uitgeverij Itico, en Joppe: Uitgeverij Littera Scripta Manet 1955). Een update van de edities die Daems en Vandewiele noemen is te vinden in de appendix in W. Klein, New drugs for the Dutch Republic: the commodification of fever remedies in the Netherlands (c. 1650-1800) (proefschrift; Utrecht: Faculty of Science / Freudenthal Institute 2018), p. 285-301. Hoewel de meeste edities voor Amsterdam werden gepubliceerd, werd de farmacopee voor deze stad slechts tweemaal volledig herzien: in 1726 en in 1792. Steden die geen eigen farmacopee uitgaven, gebruikten vaak die uit een andere stad. Zo werd in Bolsward vanaf 1662 de Amsterdamse farmacopee aangehouden. Sommige apothekers hadden naast de farmacopee die in hun eigen stad kracht van wet had overigens ook niet-officiële en buitenlandse apothekershandboeken in de kast staan.

Recept voor theriak, uit de Amsterdamse farmacopee van 1795. Dit was de laatste editie van deze stadsfarmacopee vóór de publicatie van de eerste landelijke farmacopee, in 1805. Het recept is opmerkelijk: theriak was een klassiek wondermiddel, dat in zijn oervorm tientallen ingrediënten bevatte en uiterst moeilijk te bereiden was. Deze late versie is ‘uitgekleed’, en alleen opium (‘heulsap’) kan nog beschouwd worden als actief bestanddeel. De nieuwe Amsterdamsche apotheek (Amsterdam: Pieter Hendrik Dronsberg 1795), p. 142.

Johannes Winter (†1685) was apotheker in Leeuwarden en had flink wat boeken. Naast bijbels, woordenboeken, stichtelijke en historische boeken had hij ook medische en farmaceutische werken als De medendis morbis van Leonhart Fuchs, Manuale medicinae practicae galeno-chymicae van Samuel Schönborn, Institutiones pharmaceuticae van Nicolaas Fonteyn, Dispensatorium van Valerius Cordus, Nieu ligt der apothekers van Antonius de Heide en Pharmacia galenica & chymica, dat is apotheker ende alchymiste ofte distilleer-konste van Jan Bisschop. Een stadsfarmacopee ontbreekt: pas twee jaar na de dood van Winter, in 1687, zou de eerste Leeuwarder farmacopee verschijnen. Zijn broer, de arts Feyo Johannes Winter, speelde een belangrijke rol in de totstandkoming hiervan. Leeuwarden, Historisch Centrum Leeuwarden, 1001 Archief van de stad Leeuwarden, inv.nr. 3412, f. 39v. Reproductie: Historisch Centrum Leeuwarden. CC0 1.0. Bewerkt.

Hoewel farmacopees zeker een belangrijk middel waren om de praktijk in een stad te uniformeren, is het onbekend of apothekers alle simplicia die de farmacopee voorschreef ook echt in huis hadden. Mogelijk waren sommige producten te duur of te schaars. Of een apotheker kon meer vertrouwen hebben in gelijkwaardige alternatieven, en daarom bepaalde ingrediënten door andere vervangen (een veelvoorkomende praktijk die quid pro quo wordt genoemd). Wellicht hadden sommige apothekers ook eigen recepten, die verondersteld werden beter te werken dan de voorgeschreven recepten uit de farmacopee.

Het is de vraag of apothekers zich aan de strenge voorschriften van de farmacopee konden en wilden houden

Naast farmacopees waren er allerlei plaatselijke verordeningen, waarin de taken van apothekers, en de afbakening van de taakgebieden van verschillende medische beroepen, waren vastgelegd. Er werden strenge eisen gesteld aan de werkwijze van de apotheker, bijvoorbeeld ten aanzien van de bereiding van composita, de ‘halffabricaten’. Veel verordeningen eisten van apothekers enerzijds dat zij hun composita eigenhandig bereidden, om ongelukken te voorkomen, en anderzijds dat zij van tevoren de grondstoffen beoordeelden om knoeierij tegen te gaan. Andere verordeningen hadden tot doel de verkoop van vergiften als arseen of rattenkruit te controleren. In veel farmacopees waren dit soort stedelijke besluiten nogmaals opgenomen.

Visitatie van een apotheek. In de opstand en op de toonbank zijn duidelijk verschillende typen apothekerspotten te zien, bedoeld voor verschillende typen composita en geneesmiddelen. Op de toonbank staan verder twee vijzels met stamper en een receptenprikker. Op de voorgrond een knecht die binnengekomen kruiden uitzoekt. Jan Luyken, Titelpagina voor Jacob van Halmaal, Ontleding over d'Amsterdamsche apotheek, ofte Nodige opmerkingen over de handelingen der compositien en praeparatien van de selve. Ets, 1689. Amsterdam, Rijksmuseum, obj.nr. RP-P-1896-A-19368-2967. Reproductie: Rijksmuseum. CC0 1.0. Bewerkt.

Visitaties

Sommige stedelijke besluiten hadden betrekking op visitaties. Men was het er namelijk al vroeg over eens dat het nodig was om apotheken bij tijd en wijle te laten inspecteren door het gilde. Ook in het geval van visitaties verschilden de regelingen per stad: Amsterdam liet apotheken één, later twee keer per jaar inspecteren, in Groningen en Enkhuizen gebeurde dat vier keer per jaar. In veel steden was het mogelijk om, indien nodig, nog vaker inspecties uit te voeren. Na visitatie werden er uitvoerige verslagen opgesteld over de kwaliteit van de producten in de apotheek.

Apotheken werden regelmatig geïnspecteerd om de in de farmacopee voorgeschreven kwaliteit te waarborgen

Tijdens een visitatie werden onder meer de aanwezige hoeveelheid en kwaliteit van de composita en geneesmiddelen gecontroleerd. Deze werden bewaard in speciale apothekerspotten, die stonden opgesteld in de opstand, een grote kast achter de toonbank. De opschriften op de potten gaven de inhoud weer en bestonden meestal uit twee gedeelten: één of meerdere letters die de geneesmiddelvorm aangeven, en de naam van het simplex dat het hoofdbestanddeel van het compositum of geneesmiddel vormde. De potten werden vaak prachtig versierd, waardoor de apotheek er indrukwekkend uitgezien moet hebben.

Apothekerspotten voor het bewaren van geneesmiddelen, ca. 1700. De potten bevatten ooit Unguentum althaeae simplex (eenvoudige heemstzalf), Unguentum martiatum (zenuwzalf), Methridatum Damocratis (likkepot volgens het recept van Servilius Damocrates), Rob sambuci (vlierbessengelei) en Unguentum arthanitae (varkensbroodzalf). Leiden, Rijksmuseum Boerhaave, inv.nrs. V03509, V03510, V03511, V03512, V03514 (v.l.n.r.). Foto: Stichting Farmaceutisch Erfgoed. Fotograaf: Studio-Oost. CC BY-NC-SA 3.0. Het bleef eeuwenlang de gewoonte om de ingrediënten voor geneesmiddelen in potten met Latijnse opschriften te bewaren. Onze term ‘potjeslatijn’ hebben we daaraan te danken.

Pieter van Foreest schreef aan het einde van zestiende eeuw dat apothekers geneesmiddelen bereidden die “geen oliekoek waard” waren. In de zeventiende en achttiende eeuw veranderde dit: de examinering van apothekersleerlingen door het gilde, het uitvoeren van visitaties en het vastleggen van de bereidingswijzen van composita en geneesmiddelen in de farmacopee waarborgde meer en meer de kwaliteit van het geneesmiddel. Hoewel apothekers net als vandaag de dag moesten laveren tussen enerzijds de eisen die door overheden aan hen gesteld werden, en anderzijds de haalbaarheid en wenselijkheid van het gebruik van bepaalde middelen, had het beroep een belangrijke professionaliseringsslag gemaakt.