zoek

Opium/Morfine/Codeïne

Papaver somniferum

Flora Batava. Den Haag, KB nationale bibliotheek, KW T 423.

Opium is een natuurlijke stof die wordt gewonnen uit de papaverplant, Papaver somniferum. Uit het gedroogde melksap van de kenmerkende zaadbol, die ook wel maanbol of slaapbol wordt genoemd, wordt al duizenden jaren opium gewonnen. Opium was lange tijd het enig beschikbare pijnstillende geneesmiddel. Het werd ook gebruikt als middel tegen onder meer buikloop en hoest. Het woord opium is afkomstig uit het Latijn en werd in het Nederlands voor het eerst gebruikt in de zestiende eeuw (1554). Daarnaast was de vernederlandste term heulsap gangbaar. Het woord heul betekende in dit verband "papaver" en is verwant aan het Latijnse woord oleum, dat "olie" betekent.

De wilde Heul, Koorn Heul  of de klaproos (Papaver rhoeas) werd in Nederland tot de negentiende eeuw als milder alternatief gebruikt bij het maken van geneesmiddelen tegen hoest. Opium en haar alkaloïden, waarvan morfine en codeïne de bekendste zijn, hebben verslavende eigenschappen. Sinds het begin van de twintigste eeuw bestaan er strikte regels en voorschriften om misbruik en verslaving te voorkomen.

Papaver Somniferum in de Botanische Tuinen te Utrecht. Foto: Amy Gibcus.

Historisch gebruik opium

Het gebruik van opium heeft een lange geschiedenis die duizenden jaren teruggaat. Verschillende beschavingen waaronder de Sumeriërs, Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken en Romeinen gebruikten opium voor zowel medicinale als recreatieve doeleinden. Als geneesmiddel diende het als pijnstiller en als middel om de slaap te bevorderen. In China werd opium al in de 7e eeuw gebruikt. De Zwitserse arts Paracelsus (1494-1541), geboren als Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim, legde de basis voor het gebruik van opium in de Westerse geneeskunde. Hij propageerde de medicinale toepassing van laudanum, een tinctuur van opium (opium opgelost in alcohol) vanwege de pijnstillende, kalmerende en obstiperende eigenschappen. 

Pas in de 17e eeuw kreeg de wereldwijde handel in en de consumptie van opium vorm. De Verenigde Oost-Indische Compagnie speelde een belangrijke rol in de mondiale opiumhandel. De haven van Smyrna (het huidige Izmir) speelde een belangrijke rol in de doorvoer van opium vanuit het Verre Oosten.

Set flessen. Collectie Stichting Farmaceutisch Erfgoed. 

Chemische isolatie

In het begin van de 19e eeuw begon de Duitse apothekersleerling Friedrich Sertürner chemische experimenten met opium in zijn laboratorium. In 1804 slaagde hij erin om een zuivere, kristallijne stof te isoleren die hij 'morfium' noemde, naar Morpheus, de Griekse god van de dromen. Deze stof, bekend geworden onder de naam morfine, bleek een veel sterkere en effectievere pijnstiller te zijn dan de toenmalige opium medicijnen.

Sertürner's ontdekking was revolutionair omdat het de eerste keer was dat een actieve zuivere alkaloïde geïsoleerd werd uit een plant. Dit legde de basis voor de farmaceutische industrie en de ontwikkeling van andere alkaloïde geneesmiddelen zoals kinine en cocaïne.

Medisch gebruik morfine

Na de ontdekking van de injectiespuit in 1853 werd morfine populair als krachtige pijnstiller op het slagveld, met name tijdens de Amerikaanse burgeroorlog. Morfine werd op grote schaal toegediend aan gewonde soldaten om de pijn te verlichten. Dit leidde echter ook tot een nieuw probleem: verslaving. Een deel van de soldaten die morfine gebruikten, ontwikkelden een afhankelijkheid aan het middel, wat bekend kwam te staan als de "soldatenziekte" of morfinisme.

Tegenwoordig wordt morfine nog steeds gebruikt als een krachtige pijnstiller, vooral bij ernstige pijn zoals die bij kanker en/of in de palliatieve zorg. Het gebruik van morfine en andere opiaten is strikt gereguleerd onder de Opiumwet vanwege de risico's op verslaving en misbruik.

Morfinespuit in blik, Burroughs Wellcome & Co. Londen, afkomstig van luchtlanding bij Arnhem 17 september 1944. Collectie Rijksmuseum Boerhaave.

Startpunt voor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen

De ontdekking en het succesvolle gebruik van morfine smaakten naar meer. Met de belofte om natuurlijke stoffen na te maken en liefst nog te verbeteren, gingen chemici aan het eind van de negentiende eeuw aan de slag met het morfine molecuul. Dit resulteerde onder meer in 1897 in de geboorte van het semisynthetische opiaat heroïne, dat door Bayer als hoestonderdrukkend middel op de markt werd gebracht. Het opiumalkaloïde Thebaïne werd vervolgens als uitgangspunt genomen voor de synthese van oxycodon, wat tegenwoordig een veel gebruikt pijnstillend opioïde is. En wie tijdens de vakantie bij reizigersdiarree het middel loperamide slikt, zou moeten bedenken dat de briljante Belgische scheikundige Paul Janssen morfine en de constiperende eigenschap van de opiaten als blauwdruk heeft genomen voor de ontwikkeling hiervan. Deze reeks van ontdekkingen illustreert hoe een enkele ontdekking in de plantkunde en farmacologie kan leiden tot een reeks innovaties in de farmacie en geneeskunde.

Veiligheid en voorzorgsmaatregelen

Opiaten zijn krachtige pijnstillers die worden gebruikt om ernstige pijn te verlichten. Ze zorgen voor aanzienlijke bijwerkingen en verslavingsrisico's, en vallen onder de Opiumwet. Veel voorkomende bijwerkingen zijn misselijkheid, braken, constipatie, slaperigheid, en duizeligheid. Ernstigere bijwerkingen zijn ademhalingsdepressie, afhankelijkheid, en verslaving. Regelmatig gebruik kan leiden tot tolerantie, wat betekent dat hogere doses nodig zijn voor hetzelfde effect. Het is cruciaal om opiaten alleen onder strikt medisch toezicht te gebruiken om deze risico's te minimaliseren. Misbruik kan leiden tot overdosis en zelfs de dood.